Emiel Poetou
Emiel Frans Poetou werd geboren te Gent op 6 november 1885. Zijn vader had een moulage atelier, dat hij hoopte, samen met zijn vier zonen, uit te bouwen tot het belangrijkste atelier van Gent. Emiel werd naar de avondleergangen gestuurd in het Sint-Lucasinstituut (1895-1898), waar hij zijn eerste lessen tekenen en boetseren kreeg. Poetou zette zijn studies verder aan de Gentse Academie van 1899 tot 1907, waar hij onder meer Geo Verbanck, Leon Sarteel en Domien Ingels als medeleerlingen had. Met deze laatste deelde hij in 1907 de eerste prijs voor ‘Modelleren’. Uiteindelijk voltooide hij zijn opleiding in 1908, door het volgen van een cursus aan de Brusselse Academie, onder leiding van Charles Van der Stappen en Victor Rousseau. Hij studeerde af met de eerste prijs.
Alhoewel Poetou werkzaam was in het moulage atelier van zijn vader dat sinds 1900 in de Gentse Stropstraat was gelegen, bleef hij artistieke ambities koesteren. Zo won Emiel in 1912 de vierjaarlijkse prijs voor de beeldhouwkunst van de stad Gent. De sculpturen uit deze periode vertoonden vooral de invloed van Minne, Meunier en Rodin. Bij het uitbreken van de eerste wereldoorlog werd Poetou onder de wapens geroepen. Hij werd met zijn eenheid in Nederland gevangen genomen en tijdens zijn gevangenschap zou hij er onder de indruk zijn gekomen van de beeldhouwkunst van Hildo Krop en Mendes da Costa. Poetou’s sculptuur ‘Johannes de Doper’ en de ‘Heilige Vrouw’ vertonen echter evenzeer de invloed van de ‘fauvistische sculptuur’ van Rik Wouters, Schirren en Morren evenals een grote verwantschap met het werk van Oscar Jespers.
Na de oorlogsjaren keerde Poetou terug naar Gent en zette het moulageatelier van zijn vader verder. Zijn huwelijk in 1919 met Louise Van Der Straeten maakte het voor de kunstenaar mogelijk zijn commerciële moulage atelier stop te zetten omstreeks 1927. Het inkomen van het jonge gezin werd gewaarborgd door de inkomsten uit de winkel van Louise, ‘Au petit Louvre’ genaamd, destijds een populaire hoedenzaak op de Hooiaard.
Poetou kon zich nu ten volle als beeldhouwer profileren en onmiddellijk zien we in zijn werk een explosie aan verschillende sculpturale experimenten ontstaan: van naturalistische over gestileerde naar abstracte vormen verlaten het atelier. Poetou werd beschouwd als een van de vernieuwers van de Belgische beeldhouwkunst. In zijn standaardwerk uit 1932 schreef Sander Pierron:
“[…] Il y a une certaine parenté entre la vision d’Oscar Jespers et celle d’Emile [sic] Poetou, qui cependant laissera dans une figure toute chose en sa vraie place ; il ne la déformera pas, il traduira son mouvement en gestes anguleux. Son souci de caractère est systématique ; la dépendance entre les parties ne sera jamais compromise par le fait qu’il allonge un torse, aplâtit une tête, étire un cou, diminue un sein. Son ébauchoir est catégorique ; il dégrade les plans par facettes et, animé par une sorte de mysticisme, il pénètre la matière qu’il pétrit ou taille […] »
Poetou werd dus beschouwd als minder abstract dan Jespers, als een figuur die tussen Cantré en Oscar Jespers in, zijn werken op een moderne manier, maar met zorg voor een zekere naturalistische eenheid, construeerde. Pierron had, zoals gewoonlijk, een rake analyse gemaakt van het verschil tussen het werk van deze twee moderne beeldhouwers, een verschil dat mogelijk ten dele was te wijten aan de werkwijze van de sculpteurs. Poetou was als modelleur een beeldhouwer die een eenheid trachtte te creëren, Jespers was een kunstenaar die vooral werkte in taille directe, die materie ‘fragmenteerde’ teneinde het eindresultaat te verkrijgen.
De jaren dertig betekenden voor Poetou de ware doorbraak. Hij werd een gevierd beeldhouwer en waagde zich aan een groep van portretkoppen van schrijvers en theatermakers. Aan de hand van deze koppen zien we de evolutie in zijn werk: het portret van Oscar De Gruyter in de eerste t.e.m. de derde versie varieert van gestileerd realisme naar een bijna abstracte benadering van het onderwerp. Poetou maakte portretten van o.a. August Vermeylen, Herman Teirlinck, Karel van de Woestijne, Henry Van de Velde, …
De jaren dertig betekenden tevens het begin van een grote serie van expressionistische beelden, die de invloed van de Franse moderne beeldhouwkunst (vooral Zadkine) verraden. Toch blijft Poetou zoeken naar een nieuwe manier om zich uit te drukken.
Vanaf het einde van de jaren veertig blijkt Poetou de abstractie als oplossing te hebben gevonden. Deze manier van werken, waarmee hij in de jaren twintig en dertig reeds experimenteerde, werd echter op een andere manier opgebouwd: het constructieve element moet wijken voor de invloed van beeldhouwers als Hans (Jean) Arp of Henry Moore. Poetou’s abstractie vertoonde dezelfde vloeiende, organische vormen. Een van de vroege hoogtepunten in zijn nieuwe oeuvre is ‘De Zeehond’. In de jaren zestig onstonden er naast de organische beelden opnieuw constructivistische sculpturen, dit onder invloed van de nieuwe constructivistische stromingen in de moderne kunst. Als 85 jarige (!) werd Poetou uitgenodigd tentoon te stellen tijdens de tentoonstelling ‘Plus-Meeting’ in het Museum voor Hedendaagse Kunst in Gent (1967), een intiatief van de galerie ‘Plus-Kern’ de toenmalige draaischijf van het abstract-constructivisme in Gent.
Emiel Poetou overleed op 24 januari 1975 te Drongen, waar hij zijn woning en atelier had sinds 1962. Zijn werken bevinden zich onder meer in de collecties van de Gentse Universiteit, het Museum voor Schone Kunsten van Gent, het Openluchtmuseum voor Beeldhouwkunst (Middelheim, Antwerpen), La Cambre in Brussel, het Museum van Riga en in tal van andere openbare en privé verzamelingen in binnen- en buitenland.
Selectieve Bibliografie.
Engelen-Marx, La Sculpture en Belgique à partir de 1830, Leuven, Engelen-Marx, tome V, 2006.
Piron P., Dictionnaire des Artistes Plasticiens de Belgique des XIXe et XXe Siècles, Bruxelles, Art in Belgium, 2003, tome 2.
Pas W. & G., Biografisch Lexicon Plastische Kunst in België - Schilders, Beeldhouwers, Grafici 1830-2000, Antwerpen, De Gulden Roos, 2000, deel 2.
Poulain N. (ed), Emiel Poetou Gent 1885 – Drongen 1975, Gent, Interbellum, 1986.