Jozef Horenbant
Judocus Josephus (Jozef) Horenbant werd geboren te Gent op 7 maart 1863. Vader en moeder waren beiden afkomstig uit Brugge, een stad die, zoals ook zijn geboortestad, regelmatig zou figureren in het werk van de kunstenaar. De jonge Jozef volgde aanvankelijk lessen aan de zogenaamde Nijverheidsschool, waar hij de cursus ‘Sierkunst’ volgde. Vanaf 1874 studeerde hij verder aan de Gentse Academie, waar hij tot de beste leerlingen van zijn generatie behoorde. Naast de klassieke opleiding tot schilder, volgde Jozef tevens van 1879 tot 1882 de lessen van de afdeling Bouwkunde. Horenbants eerste atelier was in het ‘Rolleke’, om de hoek van Galerie St-John, achter de kapel gelegen. De kunstenaar had toegang tot zijn atelier via de Vlasmarkt.
In 1882 kon de schilder dankzij een toelage van de stad Gent en wat bijkomende fondsen van zijn familie naar Parijs gaan studeren. Horenbant werkte er ongeveer twee jaar en zou er raadgevingen van Bastien-Lepage hebben ontvangen.
In oktober van 1887 werd Jozef Horenbant aangesteld tot leraar decoratieschilderen aan de Academie van Sint-Niklaas. Deze aanstelling bezorgde de jonge kunstenaar de mogelijkheid om zich volledig aan de schilderkunst te wijden, zonder zich nog te moeten bezighouden met het schilderen van decoratieve werken om den brode. In 1889 resulteerde dit in een werk getiteld ‘Binnenzicht van een werkhuis’, ook bekend onder de titel ‘Atelier van een Beeldhouwer’. Dit vrij grote werk bevindt zich nu in het Museum voor Schone Kunsten te Gent. De kunstenaar toonde hierin zijn voorliefde voor het Franse realistische-impressionisme van Bastien-Lepage.
De doorbraak van Horenbant kwam er in 1899, toen hij op het Gentse driejaarlijkse Salon het drieluik ‘Het Landelijke Leven’ of ‘de Aardappelen’ tentoonstelde. Niet alleen werd het werk geprezen door publiek en critici, het schilderij werd twee jaar later aangekocht door de stad Sint-Niklaas voor het Stedelijk Museum. In 1891 en 1892 nam Horenbant ook deel aan de tentoonstellingen van de Gentse kunstkring ‘Wij Willen’, een groepering van vooruitstrevende kunstenaars met als leden onder meer Albert Baertsoen, Jules De Wette, George Minne, Henri Van Melle, Joseph Vindevogel en Ferdinand Willaert.
In september 1897 werd Horenbant benoemd tot leraar van de boetseerklas en twee jaar later op 24 oktober werd hij voor één jaar op proef directeur van de Academie. De taak leek Horenbant op het lijf geschreven en hij zou een van de meest invloedrijke directeurs van de instelling worden. Hij bleef directeur tot in december 1932 en bleef les geven in aanvankelijk twee en later drie cursussen. Horenbant was in Sint-Niklaas niet enkel actief in de Academie. Hij was stichtend lid van de Wase Kunstkring en zette zich in voor tal van andere culturele initatieven. Zo organiseerde hij tentoonstellingen met werk van de plaatselijke schilders en was een van de grondleggers van het Stedelijk Museum in de Zamanstraat.
Horenbants werk kende in de jaren vlak voor 1900 een evolutie. De invloed van Basien –Lepage verschoof stilaan naar de achtergrond, het figuur in zijn werk werd ondergeschikt aan de algehele compositie. De figuren in de werken van Horenbant na 1900 lijken te versmelten met hun omgeving, en de schilder trachtte meer en meer een bepaalde sfeer weer te geven door het gebruik van chromatische verfpartijen, die qua sfeer en stijl passen bij het werk Isaac Israëls en soms zelfs bij het latere, mystieke werk van Matthijs Maris aanleunen.
In 1904 vertrok Horenbant op studiereis naar Italië, waar vooral de fresco’s van Fra Angelico een grote indruk op hem maakten. Het contact met de Italiaanse renaissancekunst liet geen opvallende sporen na in zijn werk. De schilder stelde meer en meer op de Salons tentoon. Meestal in Gent, maar ook te Parijs, op de wereldtentoonstelling te Brussel in 1910 waar hij een gouden medaille behaalde. Drie keer organiseerde hij een monografische tentoonstelling. In 1911, in de Kunst- en Letterkundige Kring van Gent met 46 schilderijen en nadien in 1917 en 1937, telkens in de ‘Salle Taets’ te Gent. De schilder bleef ook in zijn geboortestad zeer actief in het culturele leven: van 1911 tot 1918 werd hij voorzitter van de kring ‘Kunst en Kennis’ die de oud-leerlingen van de Gentse Academie verenigde, hij was lid van de commissie die de driejaarlijkse Salons te Gent organiseerden en in 1913 was hij actief binnen het ‘Internationaal kunstcongres’ van de wereldtentoonstelling.
Hoewel de kunstenaar bleef tentoonstellen tot in de jaren dertig, en hoewel hij in het Oost-Vlaamse cultuurlandschap zeer actief bleef tot aan zijn pensioen, werd hij niet meer aanzien als een leidinggevend kunstenaar. Horenbants inzendingen aan de drie- en vierjaarlijkse bleven quasi ongemerkt. Enkel een publiek van trouwe binnen- en buitenlandse verzamelaars bleef de kunstenaar volgen en kocht stelselmatig zijn werken aan. Jozef Horenbant overleed op 15 september 1956, op de gezegende leeftijd van drieënnegentig jaar. De schilder huwde nooit en stierf zonder naaste familie. Een retrospectieve tentoonstelling in het gemeentehuis van Ledeberg, waar de kunstenaar nagenoeg geheel zijn leven woonde in een huis dat hij volledig decoreerde met muurschilderingen, bracht zijn werk nog kortstondig onder de aandacht van het grote publiek. De zestigtal werken die er werden getoond kwamen bijna alle uit privéverzamelingen. Toch bezitten de musea van Gent en Sint-Niklaas een mooie selectie van het werk van de “Novellendichter met het penseel”, zoals hij door A. De Grave in zijn artikel over de kunstenaar in het tijdschrift Dietsche Warande en Belfort uit 1902 werd genoemd.
Selectieve Bibliografie:
Hozee R. (ed.), Museum voor Schone Kunsten Gent – Catalogus schilderkunst – deel II 19de-20ste eeuw, Gent, Vrienden van het Museum, 2007.
Piron P., Dictionnaire des Artistes Plasticiens de Belgique des XIXe et XXe Siècles, Bruxelles, Art in Belgium, 2003, tome .
Smet J., Tekenen Destijds – 175 jaar Stedelijke Academie voor Schone Kunsten Sint-Niklaas, Antwerpen, Standaard Uitgeverij, 1988.
Jozef Horenbant (1863-1956) – Retrospectieve Tentoonstelling, Ledeberg, Gemeentehuis Ledeberg, 27/04-02/05/1957.
Crick J., Jozef Horenbant in Vlaams Kunstalbum – Leven en Werken onzer Beeldende Kunstenaars, s.l., s.d., p. 231-234.